Naar inhoud springen

David Hume

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
David Hume
David Hume geschilderd door Allan Ramsay in 1766 (Scottish National Gallery of Modern Art)
David Hume geschilderd door Allan Ramsay in 1766 (Scottish National Gallery of Modern Art)
Persoonsgegevens
Naam David Hume
Geboren Edinburgh, 7 mei 1711
Overleden Edinburgh, 25 augustus 1776
Land Koninkrijk Groot-Brittannië
Beroep filosoof, econoom, bibliothecaris, historicus, essayist, schrijver
Functie Filosoof
Geschiedkundige
Oriënterende gegevens
Stroming Schotse verlichting
Naturalisme
Empirisme
Utilitarisme
Klassiek-liberalisme
Portaal  Portaalicoon   Filosofie
Geschiedenis

David Hume (Edinburgh, 7 mei 1711 (26 april volgens de juliaanse kalender) – aldaar, 25 augustus 1776) was een Schotse filosoof en geschiedschrijver uit de tijd van de Verlichting. Hij was een van de belangrijkste empiristische filosofen en zijn ideeën zijn van grote invloed geweest op Immanuel Kant.

Afkomst en studies

[bewerken | brontekst bewerken]

David Hume was een zoon van de advocaat Joseph Home en Katherine Falconer.[1] Hij werd geboren in hun appartement op de Lawnmarket in Edinburgh, maar bracht zijn kinderjaren zuidelijker door in hun landgoed Ninewells in Chirnside. Door dit lairdship behoorde de famiie tot de kleine landadel. De titel zou worden geërfd door Davids oudere broer John.

David werd opgevoed door zijn moeder, want zijn vader overleed toen hij twee was. Hij kreeg les van privéleraars en schreef zich kort voor zijn twaalfde in aan de Universiteit van Edinburgh.[2] Boeken vond hij leerzamer dan professoren, en het was zonder spijt en zonder diploma dat hij tegen 1726 de universiteit verliet om zich door zelfstudie verder te ontwikkelen.[3] Dat was zeker niet ongebruikelijk. Zijn periode van zelfstudie zou tot 1734 duren.[4]

Volgens de wens van zijn familie ging Hume eerst rechten studeren, maar dat beviel hem niet. De materie stond hem zo tegen dat hij andere auteurs las en er in de lente van 1729 uiteindelijk de brui aan gaf.[5] Hij wilde een geleerde en filosoof worden. Bevrijd door deze beslissing, stortte hij zich vol enthousiasme op zijn studies. Na zes intensieve maanden belandde hij in een staat van neerslachtigheid, wat hij weet aan de stoïcijnen: overeenkomstig hun leer had hij zich willen stalen tegen dood, ziekte en andere oncontroleerbare rampspoed door die continu voor de geest te halen, maar het bleek zijn krachten te boven te gaan.[6] Nog negen maanden zette hij door, tot hij ook fysiek bezweek. Zijn dokter noemde het de "ziekte van de geleerden" en schreef hem wijn en lange ritten te paard voor. Hij werd beter en concludeerde dat de antieke filosofie onvoldoende rekening hield met de realiteit van de menselijke natuur, die nood had aan ontspanning en beweging.[7]

Hume nam zich voor de menselijke natuur tot uitgangspunt te maken van zijn filosofie en ethiek.[8] Daartoe cultiveerde hij een brede belangstelling die ook geschiedenis, economie en wetenschappen omvatte.[5] Behalve in zijn studies vond hij intellectuele stimulering in het selecte gezelschap van de Rankenian Club, waarvan hij lid was. Reeds in zijn universiteitsjaren, toen hij Locke en Clarke moet hebben gelezen, raakte hij los van het geloof in religie,[9] wat niettemin een langzaam proces was dat tegen zijn inclinatie inging en dat hij als het ware op zichzelf bevocht door te redeneren.[10] Ook op filosofisch gebied was hij niet overtuigd door de autoriteiten. Zijn studies hadden hem vooral geleerd dat er eindeloze disputen waren en ruimte voor een nieuwe methode om tot waarheid te komen. Hij moet echter hebben getwijfeld of hij op die manier de kost zou kunnen verdienen.

Debuut als Man of Letters

[bewerken | brontekst bewerken]

In de lente van 1734 trad Hume als klerk in dienst bij de suikerhandelaar Michael Miller in Bristol. Miller accepteerde niet dat Hume zijn brieven verbeterde, en al na enkele maanden scheidden hun wegen in ruzie.[11] Wel hield Hume er een naamswijziging aan over: omdat hij vaststelde dat hij de Engelsen niet de juiste uitspraak kon bijbrengen (ze lieten "Home" niet op "whom" rijmen maar op "Rome"), veranderde hij de klinker in een "u".[12]

Nu hij zichzelf ongeschikt had bevonden voor de zakenwereld, besloot Hume zich aan de letteren te wijden. Voor het schrijven van zijn eerste boek vestigde hij zich in Frankrijk, niet alleen om zijn horizon te verbreden, maar ook omdat het leven er minder duur was.[13] Hij reisde eerst naar Reims en dan naar La Flèche, een dorp in de Loirevallei dat een intellectueel leven kende dankzij drukkerijen, een jezuïetencollege en vele honderden studenten. In de rijke jezuïetenbibliotheek kon hij zelfs werken van Descartes raadplegen, hoewel die door de Kerk waren verboden.[14] Tijdens zijn twee jaar in La Flèche – hij woonde in het nog bestaande landhuis Yvandeau – schreef hij het grootste deel van A Treatise of Human Nature.

Om een uitgever te zoeken reisde Hume naar Londen, waar het eerste volume – met de boeken I en II – in februari 1739 anoniem verscheen.[15] Onmiddellijk daarna keerde hij terug naar Ninewells,[16] want hij voelde zich als Schot niet aanvaard in Engeland. Het tweede, moraalfilosofische volume verscheen in 1740 bij een andere uitgever. Het werk was onderhevig aan zelfcensuur, want het hoofdstuk over mirakels liet Hume weg, omdat hij zich niet opgewassen voelde tegen de controverse die het zou veroorzaken. Uiteindelijk was het eerder een gebrek aan respons dat hem dwars zat: op het einde van zijn leven schreef hij dat A Treatise of Human Nature doodgeboren van de pers was gevallen.

Hoewel dat een overdrijving was – het werk werd wel degelijk opgemerkt en besproken – concludeerde Hume dat hij niet de juiste vorm had gevonden. Hij herwerkte zijn ideeën tot essays, een meer gebald genre dat hem bleek te liggen. In 1741 verscheen zijn eerste bundel Essays Moral and Political. De tijd leek rijp voor een hoogleraarschap, maar zijn kandidatuur voor de leerstoel Ethics and Pneumatic Philosophy aan de University of Edinburgh werd in 1744-1745 afgewezen, vanwege het scepticisme in de Treatise. In 1751-1752 herhaalde zich dit toen hij de leerstoel Logica aan de Universiteit van Glasgow aan zich voorbij zag gaan. Noodgedwongen bleef Hume een zelfstandige geleerde en letterkundige.

Tussen deze twee afwijzingen door beleefde Hume de meest avontuurlijke periode van zijn beroepsleven. Na eerst tutor te zijn geweest van de markies van Annandale, trad hij als secretaris in dienst bij zijn neef James St Clair. Deze aristocraat leidde de vloot die een mislukte aanval pleegde op de Franse havenstad Lorient (1746). Hume bleef aan de zijde van St Clair toen deze vervolgens een diplomatieke missie ondernam naar Wenen en Turijn (1747-1748). Daarna ging hij terug naar Ninewells. Doordat zijn broer, met wie hij er samenwoonde, in het huwelijk trad, verruilde Hume de ouderlijke woning voor Edinburgh.

Portret van David Hume door Allan Ramsay (1754)

In Edinburgh betrok Hume een huis in Riddle's Court met zijn zuster Katherine.[17] In 1751 werd hij verkozen tot secretaris van de Philosophical Society en in 1752 werd hij hoofd van de advocatenbibliotheek van Edinburgh. Een belangrijke reden voor die keuze was dat hij zo toegang verwierf tot de literatuur die hij nodig had om zijn History of England te schrijven, een geschiedwerk dat hem zoveel succes bracht dat hij er zes volumes van schreef (1754-1761). De positie van bibliothecaris kon hij echter zolang niet behouden. Toen hij in 1754 de collectie uitbreidde, lieten de curatoren drie "onwaardige" Franse boeken weer uit de rekken halen.[18] Hume reageerde door zijn loon en taken over te dragen aan een blinde dichter, zonder afstand te doen van het ambt zelf. Zo behield hij toegang tot de bibliotheek. In 1757 nam hij uiteindelijk toch ontslag.

In die jaren verdacht de Church of Scotland Hume van ongeloof en immoraliteit.[19] De Algemene Vergadering initieerde een procedure tegen hem, maar het kwam niet tot excommunicatie, ongetwijfeld in niet geringe mate omdat gematigde presbyteranen het voor hem opnamen, onder wie de ouderling Alexander Wedderburn. Hoewel Hume persoonlijk geen belang hechtte aan een kerkelijke veroordeling, besefte hij maar al te goed welke schade zijn reputatie zou lijden en besliste hij wijselijk zijn essays over zelfdoding en over de onsterfelijkheid van de ziel niet uit te geven.[20] Toch hield hij niet elk controversieel werk achter, want The Natural History of Religion verscheen in 1757, weliswaar verrijkt met een paar zinnen tegen irreligiositeit.[21]

Niet alleen van zijn eigen Kirk, maar ook van Rome ondervond de filosoof tegenkanting, eens hij daar onder de aandacht kwam. In 1761 kwamen al zijn werken op de Index librorum prohibitorum terecht, en daar zouden ze blijven tot de afschaffing van de verbodslijst in 1966.[22]

Tweede Frankrijkreis

[bewerken | brontekst bewerken]

Francis Seymour-Conway, markies van Hertford, werd in 1764 ambassadeur in Parijs en vroeg Hume mee als secretaris. Hij betrok een appartement in het luxueuze ambassadegebouw dat later bekend kwam te staan als het Hôtel de Brancas.[23] Zijn werk was in Frankrijk bekend uit vertaling en stond in hoog aanzien. "Le bon David" werd met open armen ontvangen in de salons van de dames Boufflers, Geoffrin, Deffand en Lespinasse.[24] Ook bij baron d'Holbach kwam hij regelmatig over de vloer.[25] Naar verluidt had hij filosofisch het meest affiniteit met d'Alembert.[26]

Na afloop van Hertfords mandaat kon Hume hem vergezellen naar Dublin, maar die stad bekoorde hem niet.[27] Met zijn jaarpensioen van £400 kon hij comfortabel leven in Schotland. Op 9 januari 1766 scheepte hij in te Calais, vergezeld door Jean-Jacques Rousseau, tegen wie arrestatiebevelen liepen. De filosofen koesterden een wederzijdse bewondering en Rousseau had Humes aanbod van gastvrijheid verkozen boven andere. Ze werden goed ontvangen in Londen en Hume regelde een woonst voor Rousseau in Wooton. Maar de paranoïde Zwitser raakte ervan overtuigd dat hij werd bedrogen en onteerd. Hij maakte zijn grieven publiek, waarbij de heftigheid van zijn toon niet kon verbloemen hoe vaag zijn aantijgingen waren. In december 1766 verweerde Hume zich met een publiek Exposé.

In augustus 1769 verhuisde Hume van Londen weer naar Schotland.[28] Hij deelde een appartement in Edinburgh met zijn zuster Katherine, maar vond het uiteindelijk te klein om de kunst te beoefenen waaraan hij de rest van zijn leven wilde wijden – de kookkunst.[28] Zijn financiën waren florissant genoeg om een nieuw huis te bouwen op St. Andrews Square, dat hij in 1771 betrok. Zijn gezondheid begon achteruit te gaan en in 1775 kreeg hij een kwaal aan de ingewanden waarvan hij besefte niet te zullen genezen.[29] Het deed geen afbreuk aan zijn opgewektheid en onthechtheid. Hij was blij nog de pas verschenen hoofdwerken van zijn vrienden Edward Gibbon en Adam Smith te kunnen lezen. Zelf schreef hij nog de korte autobiografie My Own Life, een van de weinige werken die tot stand kwamen na zijn terugkeer uit Frankrijk. Voor het overige was hij voornamelijk in de weer met revisies van zijn bestaande werken.

In april 1776 ondernam Hume nog een reis naar Londen. Op 4 juli hield hij in zijn huis te Edinburgh een afscheidsetentje voor zijn vrienden. Enkele dagen later liet hij James Boswell toe, die wilde observeren hoe iemand stierf die niet in een hiernamaals geloofde. Hume was zo helder, kalm en luchthartig, dat Boswell achterbleef in verbazing en zelfs verwarring. Het goede humeur van de stervende blijkt ook uit correspondentie met zijn broer John Home en Adam Smith. Wars van stoïcijnse onverschilligheid had hij van het leven gehouden, maar hij aanvaardde dat het ten einde liep, zonder er zich aan vast te klampen.[30]

Grafmonument van Hume in Old Calton Burial Ground

Dood en testament

[bewerken | brontekst bewerken]

De uitvaart van de "great infidel" bracht veel volk op de been. Uit christelijke hoek waren er enkele preken die hem aanvielen, en ook zijn graf moest enige dagen worden bewaakt.[31] Per testamentaire beschikking voorzag Hume in de forse som van £100 voor een grafmonument met niet meer dan zijn naam en zijn levensjaren, "leaving it to Posterity to add the Rest". Hij had er met andere woorden vertrouwen in dat hij zou herinnerd worden door toekomstige generaties. De architect van het grafmonument, Hume's vriend Robert Adam, ontwierp een open cilinder met een bloemenfries als voornaamste decoratie. Verder besteedde Hume in zijn testament veel aandacht aan de postume publicatie van de werken die hij uit voorzorg in het stadium van manuscript had gehouden. Aangezien de taak zijn vriend Adam Smith afschrok, had Hume zijn uitgever William Strahan ermee belast.[32] Die gaf Dialogues Concerning Natural Religion uit in 1779, zij het zonder enige vermelding van uitgever of drukker.

Hume wilde allerlei gedachten en begrippen opruimen die bij de mensen waren blijven hangen sinds het rationalisme. Hij wilde terug naar de manier waarop een kind tegen de wereld kijkt. Een kind is nog geen slaaf van gewenning, zegt hij, in tegenstelling tot veel volwassenen die door hun bevooroordeeldheid maar al te snel een conclusie vormen. Hij klaagde met name de ‘gelaagdheid van de onwetendheid’ aan.

In de inleiding van zijn hoofdwerk, A Treatise of Human Nature verklaart Hume dat we als redelijke wezens ook zelf het onderzoeksobject zijn van onze rede, en dat de menswetenschap de enige solide basis is voor elke overige wetenschap. Maar de kennis van die menswetenschap ligt in ervaring en waarneming; onderzoek naar de kracht en kwaliteit van de geest dient dus te gebeuren door middel van zorgvuldige, exacte experimenten. Want zo alleen kan men uiteindelijk te weten komen welke oorzaken aan de basis liggen van ons gedrag. Maar, zegt de sceptische Hume, elke hypothese die zich voordoet als een ultieme verklaring moet verworpen worden. Want enkel subjectieve ervaring kan aan de basis liggen van de verklaring van de mens. Die subjectieve ervaring doet de mens op middels zijn eigen, particuliere zintuigelijke waarnemingen van de wereld. Een dergelijke verklaring zal hoogstwaarschijnlijk nooit ultiem en universeel zijn.

Portret van David Hume door Carmontelle (ca. 1764)

In Humes filosofie staat een aantal onderscheidingen centraal. De meest centrale is de volgende. Hij stelt dat de mens twee verschillende soorten voorstellingen kent: indrukken en ideeën. Indrukken definieert hij als de voorstellingen die zich levendig voordoen en zich met grotere kracht aan de geest opdringen - hieronder plaatst Hume de sensaties, passies en gevoelens, in hun "eerste verschijning aan de ziel". Ideeën, anderzijds, zijn de eerder vage beelden, alles behalve wat de zintuigen waarnemen en wat men bij dit waarnemen voelt.

Zulke indrukken en ideeën kunnen zowel enkelvoudig als samengesteld zijn, stelt Hume. Bij een simpele indruk kan men de ervaring niet verder opdelen, zodat men bijvoorbeeld een kleur, geur of smaak specifiek denkt. Een complexe indruk kan bijvoorbeeld een appel zijn, waaraan een bepaalde kleur, geur en smaak eigen is. Indrukken en ideeën lijken overeen te komen. Bijvoorbeeld, als ik mijn ogen sluit, kan ik me een idee vormen van de kamer waarin ik me bevind, overeenkomstig met de impressies die ik opdoe wanneer ik mijn ogen terug opendoe. Complexe impressies worden echter nooit integraal in ideeën verwerkt. Anderzijds worden de complexe ideeën ook soms door de verbeelding gevormd, en zijn dus niet steeds afkomstig van impressies.

Hume noemt de verbeelding de faculteit van de geest waar men de indrukken aantreft, ontdaan van hun levendigheid, zodat ze hun status van impressie verliezen maar zonder idee te worden. Daarmee contrasteert hij het geheugen als de faculteit waar indruk en idee samenvallen, aangezien ideeën slechts uit het geheugen tevoorschijn komen door middel van een indruk (geen zintuiglijke indruk maar een indruk van een idee; dit noemt Hume overigens een secundaire indruk, wat op haar beurt weer aanleiding geeft tot een idee, en mogelijk tertiaire indruk wordt, en zo verder, tot in het oneindige).

Soms stelt de mens dus dingen samen die in werkelijkheid enkelvoudig zijn. Zo ontstaan valse ideeën, ideeën die niet bestaan in de natuur. Op deze manier wil Hume bij al onze ideeën onderzoeken of ze niet 'vals' zijn. Ook legt Hume uit dat ons bewustzijn zelf geen ideeën verzint, het bewustzijn kan alleen 'knippen en plakken' aan de enkelvoudige indrukken die het binnen heeft gekregen.

Persoonsidentiteit

[bewerken | brontekst bewerken]

Volgens Hume klopt onze voorstelling van een ik of een onveranderlijke persoonlijkheidskern ook niet. De ik-voorstelling die wij hebben is eigenlijk een opeenvolging van enkelvoudige indrukken die helemaal niet op één moment zijn binnengekomen. Humes argument om het bestaan van zo'n "metafysisch ego" te ontkennen berust vooral op het gegeven dat, als een mens aan introspectie doet, hij wel vele zaken vindt zoals gevoelens en herinneringen, maar niets wat lijkt op zo'n ultiem "ik".

Religieuze opvattingen

[bewerken | brontekst bewerken]

Hume was een agnosticus en sloot dus niet uit dat er een God bestond. In zijn Enquiry concerning Human Understanding analyseert hij de voorstelling van God als perfect wezen. Hij stelt dat de "orde van de natuur" het meest toonaangevende argument is dat door gelovigen wordt gebruikt om het bestaan van God te bewijzen. Hume trekt het bestaan van God niet in twijfel, maar hij gebruikt het argument om aan te tonen dat men niet zeker kan zijn dat God absoluut goed en vergevingsgezind is. Het enige bewijs dat men heeft van God is het bestaan van de wereld, en in de wereld is het kwade en de chaos aanwezig. En omdat we het bestaan van God enkel als oorzaak van de wereld kennen, mogen er geen kwaliteiten aan God gegeven worden die niet nodig waren om de wereld te scheppen. We kennen de oorzaak enkel door zijn gevolg, en dus mag de oorzaak enkel gezien worden met de attributen die het mogelijk maken om het gevolg te produceren. Hume zegt niet dat God niet perfect is, maar hij stelt dat die bewering enkel speculatief is en nooit bewezen kan worden. Omdat de taak van een filosoof volgens de auteur het oogsten van de rede is, is het geloof in een perfecte God of het paradijs van geen belang.

In een ander werk Gesprekken over Natuurlijke Religie toont hij zich als een ware scepticus onder het personage Philo. Philo beargumenteert dat de ontwerp-hypothese steunt op slecht redeneren (het analogie-argument) zowel als op slecht geloof (het antropomorfisme).

Politieke ideologie

[bewerken | brontekst bewerken]

Velen beschouwen David Hume als een van de eerste filosofen van het conservatisme, naast de founding fathers van het conservatisme, Edmund Burke en Alexis de Tocqueville. Anderen zien een genuanceerde ideologie in Humes filosofie, en wel een combinatie van klassiek-liberalisme, waar hij een "aartsvader" van zou zijn, en een meer traditioneel conservatisme.

Op andere Wikimedia-projecten

  • 1739-40 A Treatise of Human Nature
  • 1741-42 Essays, Moral, Political and Literary
  • 1748 An Enquiry concerning Human Understanding
  • 1751 An Enquiry concerning the Principles of Morals
  • 1754-62 The History of England (zes delen)
  • 1779 Dialogues concerning Natural Religion

In Nederlandse vertaling

[bewerken | brontekst bewerken]
  • Het menselijk inzicht. Een onderzoek naar het denken van de mens, vert. Johan Kuin, 2002. ISBN 9053527834 (orig. 1978)
  • De natuurlijke geschiedenis van de religie, gevolgd door Over bijgeloof en enthousiasme, vert. Willem Lemmens en Walter Van Herck, 2011. ISBN 9086870805 (orig. 1999)
  • De uitgelezen Hume, vert. Patricia De Martelaere, Joost van Brussel en Ger Groot, 2004. ISBN 9077598014
  • Gesprekken over de natuurlijke religie, vert. Ton Vink, 2005. ISBN 9055736023
  • Traktaat over de menselijke natuur, vert. Frédéric Louis Holthoon, 2007. ISBN 9085061490
  • Humanisme en Verlichting en de Postume Essays van David Hume, vert. Ton Vink, 2009. ISBN 9789055739707 (bevat: Mijn Leven, Over Zelfdoding, Over de Onsterfelijkheid van de Ziel)
  • Essays & verhandelingen. Een selectie, vert. Ton Vink, 2024. ISBN 9789463404204
  • David Fake Norton and Mary J. Norton (Redactie), DAVID HUME, A Treatise of Human Nature, Being an attempt to introduce the experimental method of reasoning into moral subjects, Oxford Philosophical Texts, 2de uitgave, Oxford University Press Inc., New York, 2001 (Ned. vert. Traktaat over de menselijke natuur. Ingeleid, vertaald en geannoteerd door F.L.van Holthoorn, Amsterdam (Boom), 2007)
  • Julian Baggini, The Great Guide. What David Hume Can Teach Us about Being Human and Living Well, Princeton University Press, 2021
  • Ernest Campbell Mossner, The Life of David Hume, Clarendon Press, 1980
  • Willem Lemmens, Passies en morele sensibiliteit. David Hume als filosoof en moralist, KUL - Hoger Instituut voor Wijsbegeerte, 1997
  • Patricia De Martelaere en Willem Lemmens (red.), David Hume. Filosoof van de menselijke natuur, 2001, ISBN 9789039108024
  • Ton Vink, Een leven als ‘man of letters’. Biografie van David Hume, Damon, 2022, ISBN 9789463403191
  1. ↑ Baggini 2021, p. 7
  2. ↑ Baggini 2021, p. 11-12
  3. ↑ Baggini 2021, p. 15-16
  4. ↑ Mossner 1980, p. 52
  5. 1 2 Baggini 2021, p. 19
  6. ↑ Mossner 1980, p. 66-67
  7. ↑ Baggini 2021, p. 22
  8. ↑ Baggini 2021, p. 23
  9. ↑ Baggini 2021, p. 16
  10. ↑ Baggini 2021, p. 17
  11. ↑ Mossner 1980, p. 90
  12. ↑ Baggini 2021, p. 30
  13. ↑ Baggini 2021, p. 32
  14. ↑ Dario Perinetti, "Hume at La Flèche: Skepticism and the French Connection" in: Journal of the History of Philosophy, 2018, nr. 1, p. 45-74. DOI:10.1353/hph.2018.0002
  15. ↑ Alistair MacFarlane, David Hume (1711-1776), Philosophy Now, 2017
  16. ↑ Baggini 2021, p. 84
  17. ↑ Baggini 2021, p. 100
  18. ↑ Baggini 2021, p. 104
  19. ↑ Ronald C. Arnett, "David Hume. Scholarship and Skepticism" in: Communication Ethics and Tenacious Hope. Contemporary Implications of the Scottish Enlightenment, 2022, p. 82
  20. ↑ Baggini 2021, p. 136
  21. ↑ Baggini 2021, p. 143
  22. ↑ Mossner 1980, p. 228
  23. ↑ Baggini 2021, p. 150
  24. ↑ Baggini 2021, p. 126
  25. ↑ Baggini 2021, p. 132
  26. ↑ Baggini 2021, p. 126
  27. ↑ Baggini 2021, p. 156
  28. 1 2 Baggini 2021, p. 184
  29. ↑ Baggini 2021, p. 192
  30. ↑ Baggini 2021, p. 195-196
  31. ↑ Baggini 2021, p. 196-197
  32. ↑ Baggini 2021, p. 141
Zie de categorie David Hume van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.